Sociale normen en waarden achter kinderarbeid
Wereldwijd werken 160 miljoen kinderen. Niet armoede houdt kinderarbeid vooral in stand, wel wat gemeenschappen normaal vinden. Maar hoe zie je of normen veranderen? SenseGuide volgde het tussen 2020 en 2024 voor het programma Work: No Child's Business, met 2.800 zelfgeduide verhalen uit zes landen. De onafhankelijke eindevaluatie bouwde op wat het luisteren zichtbaar maakte.

In my experience, SenseMaker proved to be a great methodology to dive into norms and behaviours around complex societal issues. Given the time SenseMaker requires to unfold its potential, it provided me and my colleagues with a deep and clear understanding of how issues are framed, described and experienced by our key stakeholders: people we try to support with our work. Equally relevant, SenseMaker is a very valid approach to test assumptions we work with in our programmes.
Luca Genovese, MEAL expert
Work: No Child's Business
Wereldwijd werken 160 miljoen kinderen. Wie dat wil veranderen, ontdekt al snel iets dat tegen de intuïtie ingaat: armoede is meestal niet de beslissende factor. Onderzoek wijst een andere kant op. Sociale normen en tradities, uitsluiting en discriminatie, en een slecht functionerend onderwijssysteem houden kinderarbeid in stand. In veel gemeenschappen geldt werk als goed voor de vorming van een kind. Meisjes zouden onderwijs "minder nodig" hebben. En waar kinderarbeid diep in de gewoonten zit, zien ouders én kinderen vaak zelf niet dat er iets wringt.
Het programma 'Work: No Child's Business' (WNCB) wilde daarom meer dan kinderen naar school krijgen. Het wilde dat gemeenschappen anders gaan kijken — naar werk, naar onderwijs, naar wat een kindertijd hoort te zijn. Het programma liep van 2019 tot eind 2024 in India, Ivoorkust, Jordanië, Mali, Oeganda en Vietnam, uitgevoerd door Save the Children, UNICEF Nederland en de Stop Kinderarbeid Coalitie, met Hivos als hoofduitvoerder en het Ministerie van Buitenlandse Zaken als financier.
Maar hoe volg je of normen werkelijk verschuiven? Aantallen ingeschreven leerlingen vertellen dat niet. Een norm zit niet in een registratie — zij zit in hoofden, huizen en gewoonten. Voor die vraag koos de alliantie SenseGuide als partner in haar monitoring en evaluatie.
De opdracht: vijf jaar lang de onderstroom volgen
Onze opdracht: bij de start, halverwege en aan het eind van het programma zichtbaar maken welke sociale normen, opvattingen en gedrag er leven rond kinderarbeid — en of die bewegen. Drie metingen dus: een nulmeting (winter 2020–2021), een tussenmeting (2022) en een eindmeting (2024). Steeds met hetzelfde instrument en dezelfde vragen, zodat veranderingen over vier jaar echt vergelijkbaar zijn. Die consistentie klinkt vanzelfsprekend. Zij bleek uiteindelijk een van de waardevolste eigenschappen van dit werk.
Kinderen en volwassenen duiden hun eigen verhaal
We werkten met onze narratieve benadering, SenseMaker. Mensen vertellen een korte ervaring uit hun dagelijks leven en geven daar direct zelf betekenis aan, via een reeks duidingsvragen over hun eigen verhaal. Geen onderzoeker die achteraf bepaalt wat een verhaal betekent — de verteller doet dat zelf, op het moment dat de ervaring nog dichtbij is. Zo levert elk verhaal tegelijk een verhaal én een datapunt op. Duizenden zelfgeduide verhalen samen laten patronen zien: hoe een gemeenschap denkt, en of dat denken verschuift.
Er kwamen twee parallelle vertelconcepten: één voor kinderen van 7 tot 17 jaar en één voor volwassenen — ouders, leraren, gemeenschaps- en religieuze leiders. Beide met identieke prompting- en duidingsvragen, zodat de blik van kinderen naast die van volwassenen gelegd kon worden. Genderverschillen kregen in elk ontwerpbesluit aandacht, van vraagstelling tot analyse.
De verhalen werden opgehaald door mensen uit de gemeenschappen zelf. SenseGuide leidde lokale trainers op, die op hun beurt verhalenophalers van partnerorganisaties trainden. Zo bereikten we, in lokale talen en vertrouwde omgevingen, mensen die geen enkele vragenlijst ooit bereikt. Over de hele looptijd deelden 1.834 kinderen en 924 volwassenen hun ervaring — bij de eindmeting aangevuld met 90 overheids- en 73 bedrijfsstakeholders. Bij elkaar ongeveer 2.800 verhalen.
Wat de verhalen zichtbaar maakten
De nulmeting: vier onderstromen. Uit de eerste ruim negenhonderd verhalen kwamen vier onderstromen naar voren die kinderarbeid in stand houden, dwars door de landen heen: de verantwoordelijkheden die kinderen voelen en opgelegd krijgen, sociale ongelijkheid — vooral tussen meisjes en jongens — de relatie tussen ouder en kind, en de cognitieve dimensie. Die laatste bleek de taaiste: ambivalentie, angst en vastgeroeste denkpatronen sturen het dagelijkse kijken, zonder dat mensen het merken. Je kunt niet wegnemen wat niemand als probleem ervaart. Voor het programma was dit richtinggevend: hier moesten de gesprekken beginnen.
De tussenmeting: goed nieuws met een waarschuwing. In 2022 lieten bijna dertienhonderd nieuwe verhalen vooruitgang zien. Meer kinderen gingen naar school, het bewustzijn van kinderrechten groeide. Maar de verhalen toonden ook iets dat in geen enkele indicator zat: veel ouders zagen hard werken — op school én daarnaast — als voorbeeldig gedrag. Kinderen kregen er een schooldag bij, terwijl het werk thuis bleef. Overbelasting werd een reëel risico. Op basis daarvan gaven wij het programma een advies dat inging tegen de rapportagelogica van een groot donorprogramma: denk minder in aantallen, meer in verankering. Kinderen naar school krijgen is mobilisering. Dat ouders onderwijs zelf anders gaan zien, is internalisering — en alleen dat houdt stand als het programma stopt.
De eindmeting: de normen bewogen. In 2024 bevestigde de derde ronde dat er werkelijk iets was verschoven. In alle onderzochte landen rapporteerden kinderen meer schoolgang en minder werk, vooral minder gevaarlijk werk. Gemeenschappen waren onderwijs zichtbaar anders gaan waarderen. Een meisje uit India vertelde (hier vertaald):
"Nu hebben ze me op school ingeschreven en dat heeft veel veranderd in mijn leven. Eerst deed ik alleen huishoudelijk werk, nu leer ik op school — naast het huishoudelijke werk."
In die ene zin zit de opbrengst én de opgave. De verandering is echt: dit kind zit op school. En de kwetsbaarheid is ook echt: het werk is er nog steeds bij. De eindmeting benoemde beide — en was even eerlijk over de grens van elke evaluatie bij zo'n verweven vraagstuk: veranderingen laten zich nooit één-op-één aan een programma toeschrijven.
De methode groeide mee
Voor de eindmeting verbreedden we de inzet van SenseMaker met een tweede studie: de SenseMaker Harvested Outcomes-studie. Harvested Outcomes zijn de actief verzamelde bewijzen van veranderingen die het programma teweegbracht — tastbaar en ontastbaar, bij gemeenschappen en bij instituties. De programmapartners oogstten deze uitkomsten zelf gedurende de looptijd; onze studie toetste ze aan de ervaring van wie ze zou moeten merken.
Daarvoor bevroegen we 90 overheidsstakeholders en 73 vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, uit onder meer de natuursteen-, goud- en cacaosector, textiel en schoeisel, en informeel en huishoudelijk werk. Ook zij vertelden en duidden hun eigen ervaring met het programma. Toegang tot goed onderwijs kwam naar voren als de belangrijkste waargenomen verandering, gevolgd door sterkere kinderbeschermingssystemen. Zo ontstond rond het einde van het programma een beeld uit drie richtingen: de gemeenschap, de overheid en de markt — en kreeg de alliantie zicht op welke geoogste resultaten ook buiten de eigen kring als verandering werden herkend.
Wat de onafhankelijke evaluatie ermee deed
Begin 2025 verscheen de externe eindevaluatie van het WNCB-programma, uitgevoerd door het Duitse bureau Syspons onder toezicht van een referentiegroep met onder meer de evaluatiedienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (IOB) en het Koninklijk Instituut voor de Tropen.
Voor de kernvraag van het programma — veranderen normen en gedrag? — bouwden de evaluatoren op onze studies. Zij noemden de drie meetrondes een bron van waardevolle informatie over kernuitkomsten, die het bewijs leverde voor de effectiviteit van het programma op zijn eerste veranderpad: de normverandering. De verhalenstudies keren tientallen keren als bron terug in het eindrapport. In de aanbevelingen voor toekomstige programma's staat bovendien het advies om datapartners voor de lange termijn vast te houden, met onze studies als voorbeeld — juist omdat vergelijkbaarheid over jaren zo zeldzaam en zo waardevol is.
De alliantie rapporteert mede op basis hiervan gedaalde aantallen werkende kinderen in de meeste programmalanden. Dat resultaat is van het programma en van de duizenden mensen die eraan werkten. Onze rol was het zichtbaar maken wat er onder die resultaten gebeurde — en soms, zoals bij de tussenmeting, het programma een spiegel voorhouden.
Wat programmamakers, beleidsmakers en financiers aan deze casus hebben
Normen veranderen niet door vinkjes. Ze veranderen in de hoofden en huizen van mensen, langzaam en ongelijkmatig. Wie dat wil volgen, moet mensen zelf laten vertellen én zelf laten duiden — en dat jaren volhouden, met hetzelfde instrument. Deze casus laat zien dat dat kan, op schaal, in zes landen en vele talen, met kinderen vanaf zeven jaar als volwaardige duiders van hun eigen leven. En dat een onafhankelijke evaluator er vervolgens op kan bouwen. In het eindrapport schrijft Syspons over onze studies — normverandering was het eerste veranderpad ("Pathway 1") van het programma:
Social norm change was a key component of the programme's ToC and therefore these studies were a source of valuable information on key outcomes, especially at the household level, and therefore provided evidence to support the programme's effectiveness and impact for Pathway 1. Further, it also helped to inform the programme's activities and implementation.
Syspons, Final Evaluation Report Work: No Child's Business (2025)
De rapporten van de nulmeting, tussenmeting en eindmeting zijn openbaar beschikbaar via wncb.org.