Wat is Sensemaking?
Sensemaking betekent voor iedereen net iets anders. Op deze pagina leggen we de verschillende blikken naast elkaar — vijf denkers, elk met een eigen nadruk — en delen we onze eigen kijk als SenseGuide. Zo werken we toe naar de weg die wij kiezen: betekenis geven via het verhaal, oftewel narratief sensemaking.

Sensemaking of sense-making
Soms zit een groot idee verstopt in een klein teken.
Sensemaking is een lastig woord voor iets heel gewoons: de manier waarop mensen samen betekenis geven aan wat er om hen heen gebeurt. En kijk je goed, dan zie je dat woord op twee manieren geschreven. De meesten schrijven het aaneen: sensemaking. Anderen zetten er een streepje in: sense-making. Vaak zonder uitleg — een gewoonte, geen keuze.
Het streepje als scharnier
Op één plek wordt het wél uitgelegd. De denker Dave Snowden koos het streepje bewust, en noemt het geen muggenzifterij. Voor hem is het een scharnier. Het houdt twee dingen bij elkaar én een tikje uit elkaar: sensing, het aanvoelen van wat er nú speelt, en making, het handelen dat daarop volgt. Zoals een componist met één rust de hele melodie anders laat klinken, zo kleurt dat ene streepje voor hem de gedachte eronder.
Aanvoelen en handelen lopen in elkaar over
En toch is die scheiding minder scherp dan ze lijkt. Aanvoelen en handelen zijn geen twee losse stappen, netjes na elkaar. Ze lopen in elkaar over. Denk aan een muzikant die improviseert: elke noot klinkt in het moment, en krijgt tegelijk betekenis door alles wat eraan voorafging. Zo werkt betekenis geven bij mensen ook. Een goede bestuurder kijkt in één blik in de achteruitkijkspiegel én door de voorruit — het verleden dat meebeweegt, en de stap die nog gezet moet worden, in dezelfde beweging.
Daarom schrijven wij sensemaking
Daarom schrijven wij het aaneen: sensemaking. Zo houden we heel wat in de praktijk heel is — aanvoelen en handelen, verleden en heden, als één beweging. En dat zo'n klein teken al iets losmaakt, zegt genoeg. Hoe we iets benoemen is nooit neutraal. Taal vormt mee hoe we naar de wereld kijken — en dus ook naar wat er speelt in een wijk, een team of een beleidsstuk.
De wereld laat zich niet altijd narekenen
Stel je een wijk voor die op papier in orde is. De cijfers kloppen, de vakjes zijn ingevuld, de grafieken staan groen. En toch broeit er iets — een onrust die niemand kan aanwijzen, maar die iedereen voelt die er woont. De cijfers zien het niet. De mensen wel.
Dat is het punt waar sensemaking begint. De term werd bedacht door de Amerikaanse denker Karl Weick. Hij smeedde twee woorden aaneen tot één nieuw woord om iets nieuws te benoemen: de manier waarop mensen samen betekenis geven aan wat er om hen heen gebeurt. Niet door de wereld van een afstand te meten, maar door er middenin te staan en er, al pratend en handelend, zin aan te geven.
Betekenis ontstaat tussen mensen
Weick zag organiseren daarom als een werkwoord, niet als een ding. Een organisatie, een wijk, een team — het is nooit af. Het is een voortdurende beweging van mensen die met elkaar uitmaken wat er speelt en wat ertoe doet.
Wie meet, kleurt de werkelijkheid
Hier zit een gedachte in die groter is dan ze lijkt: mensen ondergaan hun wereld niet alleen, ze vormen die ook mee. Wat we opmerken, benoemen en belangrijk vinden, bepaalt mede wat er gebeurt. Voor beleid is dat een stevige les. Wat je telt, benoemt en beloont, is nooit helemaal neutraal — het kleurt de werkelijkheid waar je vervolgens op reageert.
Vijf stromingen, één woord
Sensemaking is niet het eigendom van één denker of één vakgebied. Het woord bleek zo bruikbaar dat verschillende vakgebieden het oppakten — elk met een eigen blik, alsof vijf mensen door een ander raam naar dezelfde kamer kijken. Een wetenschappelijk naslagwerk, de Oxford Bibliographies, onderscheidt vijf grote stromingen.
De vijf blikken
Karl Weick bracht sensemaking naar de organisatiekunde. Voor Karl Weick is sensemaking vooral iets van achteraf. We handelen eerst, en pas als we terugkijken vallen de stukjes op hun plek. Betekenis is dan het verhaal dat we onszelf vertellen om te snappen wat er gebeurde. Zijn nadruk ligt op dat terugblikken.
Brenda Dervin gebruikte het in de communicatiewetenschap. Voor haar is sensemaking een brug slaan: je staat aan de ene kant, er gaapt een gat in je begrip, en je bouwt een brug om verder te kunnen. Haar nadruk ligt op de mens die vastloopt en tóch vooruit wil.
Dave Snowden bracht het naar het kennismanagement en de complexiteitswetenschap. Hij houdt het bewust kaal: betekenis geven aan de wereld, zodat je erin kunt handelen. Geen woord te veel. Zijn nadruk ligt op het handelen — genoeg begrijpen om de volgende stap te zetten.
Daniel Russell paste het toe op de omgang tussen mens en computer: hoe wij betekenis halen uit grote hoeveelheden informatie op een scherm. Voor hem is sensemaking het zoeken naar de handigste ordening van al die gegevens, zodat je de vraag die je hebt kunt beantwoorden. Zijn nadruk ligt op het temmen van de overvloed.
Gary Klein onderzocht hoe experts beslissen onder druk — een brandweercommandant, een verpleegkundige op de intensive care — die in een oogwenk aanvoelen wat er aan de hand is. Voor hem is sensemaking een voortdurende poging om verbanden te zien, zodat je kunt voorzien wat er komt en op tijd kunt handelen. Zijn nadruk ligt op ervaring: hoe meer patronen je kent, hoe sneller je een situatie leest.
Waar SenseGuide staat
Deze vijf delen een woord, maar geen strak omlijnde methode. Dat is geen zwakte; het laat zien hoe rijk het begrip is. SenseGuide put vooral uit drie van deze bronnen: het complexiteitsdenken van Snowden, de verhalende blik van Weick en het praktische beslissen-onder-onzekerheid van Klein. Zo staan we niet netjes binnen één school, maar op het kruispunt waar verhaal, complexiteit en handelen elkaar raken — precies waar het werk in de praktijk om vraagt.
Cynefin: kijken wat voor situatie je voor je hebt
Voor je een probleem aanpakt, helpt het om te weten wat voor soort probleem het eigenlijk is. Dat klinkt vanzelfsprekend, en toch slaan we die vraag vaak over. We grijpen naar een plan dat ergens anders werkte, een blauwdruk, een kant-en-klare aanpak — en dan blijkt de situatie heel anders in elkaar te zitten dan we dachten.
Dave Snowden ontwierp daar een denkkader voor: Cynefin (spreek uit: kuh-nev-in, een Welsh woord dat zoiets betekent als de plek waar je thuishoort). Het is een van de bekendste sensemaking-frameworks, en bij SenseGuide is het het denkkader onder al ons narratief werk. Cynefin helpt je één ding te doen voordat je handelt: onderscheiden wat voor soort situatie je voor je hebt. Het maakt onderscheid tussen meerdere soorten; voor ons werk zijn er twee die er het meest toe doen.
Ingewikkeld is iets anders dan complex
Een ingewikkeld probleem is als een automotor. Er zitten veel onderdelen in, en je moet er verstand van hebben — maar een goede monteur weet precies wat er kapot is en hoe hij het maakt. Er is een juist antwoord, en een expert kan het vinden.
Een complex probleem werkt anders. Denk aan een kind opvoeden, of aan een wijk die verandert. Er is geen monteur die je vertelt welke handeling het goede resultaat oplevert. Oorzaak en gevolg lopen door elkaar, en je ziet vaak pas achteraf waarom iets werkte of juist niet. Geen enkele expert kan het vooraf uitrekenen.
Waarom dit voor beleid zoveel uitmaakt
De meeste sociale vraagstukken — eenzaamheid, armoede, veiligheid, weerbaarheid, een gezonde leefomgeving — zijn complex. En daar gaat het vaak mis: we behandelen ze alsof ze ingewikkeld zijn. We zoeken de expert, het plan, de blauwdruk. Maar een blauwdruk die op de ene plek werkte, valt op de andere plek uit elkaar, omdat mensen en wijken nu eenmaal geen motoren zijn.
Bij complexe vraagstukken past een andere houding: luisteren naar wat er leeft, kleine stappen zetten en kijken wat beweegt, in plaats van vooraf bedenken hoe het moet. Precies daar komt narratief sensemaking binnen. De verhalen van mensen zijn het beste kompas in een landschap dat je niet vooraf kunt uittekenen. Daarom is Cynefin voor SenseGuide de bril waardoor we naar een vraagstuk kijken, nog voordat we één verhaal ophalen.
Twee soorten niet-weten
We doen vaak alsof er maar één manier is om iets niet te weten: je mist informatie, dus je gaat zoeken. Kijk op het bord, en je weet hoe laat de trein gaat. Meer meten, meer weten.
Als er te veel betekenis is
Er bestaat een tweede soort niet-weten, en die is lastiger. Soms is er geen tekort aan informatie, maar juist een teveel aan betekenis. Denk aan een appje, laat op de avond: "We moeten praten." De woorden zijn glashelder. En toch weet je niet wat ze betekenen. Is er iets mis? Goed nieuws? Boosheid? Meer feiten helpen niet — je hebt de feiten al. Wat je nodig hebt, is een gesprek.
Veel van wat er in een wijk, een gezin of een team speelt, is van die tweede soort. Een cijfer betekent voor de beleidsmaker iets anders dan voor de bewoner om wie het gaat. Daar helpt geen extra meting. Daar helpt het bij elkaar brengen van al die betekenissen, tot er samen één werkbaar beeld ontstaat.
Meten is niet altijd weten
Meten is weten, zeggen we graag. Maar niet alles laat zich meten. En niet-weten is zelf ook iets: het betekent ruimte laten. Sensemaking is op precies die ruimte gebouwd.
Betekenis geven doe je op drie manieren
We denken al snel dat begrijpen iets is wat zich alleen in het hoofd afspeelt. Zo simpel ligt het niet. De onderzoeker Ravi Kudesia laat zien dat sensemaking zich op drie plekken tegelijk voltrekt: in je hoofd, in je taal en in je lijf. Drie deuren naar dezelfde kamer.
In het hoofd. Dit is de bekendste. We passen wat er gebeurt in de patronen die we al met ons meedragen — beelden, verwachtingen, ervaring. Een verpleegkundige die bij een patiënt binnenloopt en meteen voelt dat er iets mis is, doet precies dat: haar hoofd zit vol patronen die ze in jaren heeft opgebouwd. Ze weet het, nog voor ze het kan uitleggen.
In taal. Betekenis ontstaat ook tussen mensen, in wat we tegen elkaar zeggen. Een team praat een situatie als het ware in vorm: al pratend wordt langzaam duidelijk wat er speelt. Het verhaal is hiervan de oudste en meest menselijke vorm — een manier om ervaring door te geven die iedereen verstaat. Hier ligt het werk van SenseGuide.
In het lijf. En dan is er nog het lichaam. Soms weet je lijf iets eerder dan je hoofd: een onbehaaglijk gevoel, de spanning die je voelt zodra je een ruimte binnenkomt, nog voordat er een woord is gevallen. Die lichamelijke kant hoort er volwaardig bij. Betekenis zit niet alleen in gedachten en woorden, maar ook in wat we voelen.
Deze drie werken nooit los van elkaar; ze zijn met elkaar verweven. Maar je moet ergens naar binnen. SenseGuide kiest de deur van de taal, en binnen die taal de kracht van het verhaal. Dat is een bewuste keuze — één van de drie — en precies daarover gaat het verderop.
Verhalen als bron, niet als versiering
Mensen vertellen verhalen sinds het begin van de beschaving. Het is een overlevingsstrategie: zo geven we ervaringen door, scheppen we betekenis en maken we de wereld begrijpelijk voor onszelf en voor elkaar. Aristoteles schreef al over de kracht van een goed verhaal. De psycholoog Jerome Bruner liet zien dat verhalend denken een van de twee grondmanieren is waarop mensen kennis verwerken, naast het rekenende, analytische denken. Een verhaal is daarmee een volwaardige vorm van kennis — de oudste en meest natuurlijke die de mensheid kent.
De kracht van het kleine verhaal
SenseGuide werkt daarom met microverhalen: korte, persoonlijke verhalen die dicht bij de dagelijkse ervaring blijven. Het verhaal dat iemand vertelt aan de koffietafel of op het schoolplein — klein, vluchtig, en toch zit er vaak een wereld in. Het begrip komt uit de narratieve onderzoekspraktijk van Dave Snowden. Waaróm juist deze kleine verhalen kennis dragen die cijfers missen, is treffend verwoord door de kennis- en complexiteitsdenker Max Boisot: elke keer dat je een ervaring vertaalt naar een categorie of een getal, wordt ze makkelijker over te dragen en valt tegelijk de context weg waarin haar betekenis zat. Een microverhaal houdt die context vast.
Zwakke signalen
De vroegste tekenen van verandering zijn bijna altijd zwak. Meerduidig, afhankelijk van context, moeilijk te vangen in een systeem. Een zwak signaal is een fragment: een gevoel dat iets niet klopt, een patroon in gesprekken op het schoolplein dat nergens in een systeem opduikt. Pers je dat in een getal, dan verlies je precies wat je zocht. Juist in complexe situaties, waar je de uitkomst niet vooraf kunt uittekenen, zijn die zwakke signalen goud waard — ze zijn vaak het eerste teken dat er iets aan het schuiven is.
Niet alle stemmen klinken even hard
Hier past eerlijkheid, want dit is de plek waar veel onderzoek zwijgt. Verhalen staan niet neutraal naast elkaar. Sommige worden makkelijk gehoord, andere worden overstemd of blijven onopgemerkt — en dat zijn vaak juist de verhalen van mensen die het minst vaak aan het woord komen. Een gedeelde werkelijkheid ontstaat niet vanzelf door perspectieven bij elkaar op te tellen. Ze vraagt dat je bewust ruimte maakt voor wat anders wegvalt.
Wie mag betekenis geven?
Achter dat "even hard klinken" zit een diepere vraag: wie mag eigenlijk bepalen wat een ervaring betekent? Vaak ligt die macht bij iemand die op afstand staat — een onderzoeker die het verhaal samenvat, een consultant met kant-en-klare hokjes, een systeem dat er een cijfer van maakt. De verteller doet zijn verhaal, en een ander bepaalt wat het "eigenlijk" betekende. Zo raakt iemand ongemerkt de zeggenschap over zijn eigen ervaring kwijt.
De filosoof Miranda Fricker gaf dit een naam: epistemic injustice, het onrecht dat je wordt aangedaan als iemand die iets weet. Het gebeurt op twee manieren. Soms word je minder geloofd door een vooroordeel over wie je bent — je afkomst, je gender, je opleiding. En soms ontbreken simpelweg de woorden om je eigen ervaring uit te leggen, omdat de taal ervoor nog niet bestaat, waardoor je onbegrepen blijft.
Dave Snowden bouwde voort op Frickers werk. Waar zij het probleem benoemt, zocht hij de oplossing, en noemde die epistemic justice. De macht zit namelijk in wie het verhaal mag uitleggen. Daarom draaien wij het om: de mensen die iets meemaken, duiden hun ervaring zelf. Zij houden het recht om te zeggen wat het voor hén betekende. In gewone taal komt het hierop neer: je eigen ervaring is van jou, ook als het om de betekenis ervan gaat. En de vraag daaronder is er een van waarden: wortelt beleid in het echte leven van mensen, of zweeft het daarboven?
Samen betekenis geven
Verhalen ophalen is één ding. Begrijpen wat ze betekenen is iets anders. En dat begrijpen is geen taak voor de onderzoeker alleen. Het is een groepsproces. Beleidsmakers, professionals, ervaringsdeskundigen en bewoners duiden samen de uitkomsten en vertalen ze naar de praktijk. Dat samen duiden noemen we sensemaking.
Spelend redeneren
In dat gesprek zoeken we de meest aannemelijke uitleg, niet de enig mogelijke. De psycholoog Gary Klein noemt die manier van denken spelend redeneren: verschillende ideeën uitproberen tot het beeld klopt, in plaats van je vastbijten in één antwoord. Een oude wijsheid van Karl Weick past er goed bij: spreek alsof je gelijk hebt, en luister alsof je ongelijk hebt. Zo ontstaat een gedeeld begrip waar mensen mee vooruit kunnen — en, minstens zo belangrijk, eigenaarschap. Wie zelf heeft meegeduid, voelt zich verantwoordelijk voor wat eruit komt.
Geen eindrapport, maar een ritme
Sensemaking is daarom geen onderzoek met een eindrapport dat in een la verdwijnt. Het is een ritme: verhalen ophalen, patronen zoeken, samen duiden, terugkoppelen en bijsturen — en dan weer opnieuw. Van meten naar begrijpen. Van een tijdelijke ingreep naar een levende manier van luisteren. En zo naar beleid dat wortelt in de levens van mensen, en hen behandelt als de mensen die ze zijn.
De inhoud van dit artikel is geschreven door Dave van Mourik, op basis van meer dan 15 jaar zelfstudie naar cognitieve wetenschap, complexiteitstheorieën, narratieve theorieën en sensemaking. Voor dit artikel gebruikte hij de volgende bronnen:
Aristoteles. (ca. 335 v.Chr./1996). Poetica (N. van der Ben & J. M. Bremer, Vert.). Athenaeum – Polak & Van Gennep.
Boisot, M. H. (1998). Knowledge assets: Securing competitive advantage in the information economy. Oxford University Press.
Bruner, J. S. (1986). Actual minds, possible worlds. Harvard University Press.
Dervin, B. (1998). Sense-making theory and practice: An overview of user interests in knowledge seeking and use. Journal of Knowledge Management, 2(2), 36–46. https://doi.org/10.1108/13673279810249369
Fricker, M. (2007). Epistemic injustice: Power and the ethics of knowing. Oxford University Press. https://doi.org/10.1093/acprof:oso/9780198237907.001.0001
Jones, P. (z.d.). Sensemaking methodology: A liberation theory of communicative agency. EPIC. https://www.epicpeople.org/sensemaking-methodology/
Klein, G. (1998). Sources of power: How people make decisions. MIT Press.
Klein, G. (2013). Seeing what others don't: The remarkable ways we gain insights. PublicAffairs.
Klein, G. (2015). A naturalistic decision making perspective on studying intuitive decision making. Journal of Applied Research in Memory and Cognition, 4(3), 164–168. https://doi.org/10.1016/j.jarmac.2015.07.001
Klein, G., Jalaeian, M., Hoffman, R. R., & Mueller, S. T. (2023). The plausibility transition model for sensemaking. Frontiers in Psychology, 14, Article 1160132. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2023.1160132
Klein, G., Moon, B., & Hoffman, R. R. (2006a). Making sense of sensemaking 1: Alternative perspectives. IEEE Intelligent Systems, 21(4), 70–73. https://doi.org/10.1109/MIS.2006.75
Klein, G., Moon, B., & Hoffman, R. R. (2006b). Making sense of sensemaking 2: A macrocognitive model. IEEE Intelligent Systems, 21(5), 88–92. https://doi.org/10.1109/MIS.2006.100
Kudesia, R. S. (2017). Organizational sensemaking. In F. C. Worrell (Ed.), Oxford Research Encyclopedia of Psychology. Oxford University Press. https://doi.org/10.1093/acrefore/9780190236557.013.78
Kurtz, C. F., & Snowden, D. J. (2003). The new dynamics of strategy: Sense-making in a complex and complicated world. IBM Systems Journal, 42(3), 462–483. https://doi.org/10.1147/sj.423.0462
Russell, D. M., Stefik, M. J., Pirolli, P., & Card, S. K. (1993). The cost structure of sensemaking. In Proceedings of the INTERCHI '93 Conference on Human Factors in Computing Systems (pp. 269–276). Association for Computing Machinery. https://doi.org/10.1145/169059.169209
Snowden, D. (2020, 12 april). Big, thick and rich (the data). The Cynefin Co. https://thecynefin.co/big-thick-and-rich/
Snowden, D. (2026, 9 maart). M&A 3/12: Narrative & epistemic justice. The Cynefin Co. https://thecynefin.co/ma-3-12-narrative-epistemically-justice/
Snowden, D. J., & Boone, M. E. (2007). A leader's framework for decision making. Harvard Business Review, 85(11), 68–76.
Urquhart, C. (2011). Sense-making/Sensemaking (bijgewerkt 2020). In P. Moy (Red.), Oxford Bibliographies in Communication. Oxford University Press. https://doi.org/10.1093/obo/9780199756841-0112
Weick, K. E. (1979). The social psychology of organizing (2e ed.). Addison-Wesley.
Weick, K. E. (1995). Sensemaking in organizations. SAGE Publications.

Dave van Mourik
Dave is oprichter, eigenaar en managing partner van SenseGuide. Hij heeft een bedrijfskundige achtergrond en werkte jarenlang als organisatieadviseur. Tussen 2005 en 2012 was hij manager innovatie bij Alliander. Daar bracht hij complexiteitsdenken en narratief sensemaking binnen in het innovatiemanagement. Sinds 2012 helpt hij met SenseGuide organisaties om deze benaderingen toe te passen op maatschappelijke en organisatorische vraagstukken.